Het is nooit saai voor de portier van De Nieuwe Ooster

Verhaal geschreven voor het Thema magazine over De Nieuwe Ooster

In de jaren dat ik portier was van De Nieuwe Ooster werd mij vaak gevraagd of het niet een beetje saai werk was wat ik daar deed.

Lust u gebak?

Sinds enkele weken kwam de grote dikke man met zijn twee zonen dagelijks naar De Nieuwe Ooster. Ze hadden me gevraagd of ze met de auto naar het graf mochten, omdat vader ernstig ziek was. Ja, ik lust wel gebak. Mooi, dan neem ik morgen gebak voor u mee, want u doet altijd zonder problemen de poort voor ons open. Mijnheer, dat hoeft niet, de poort openen, dat is mijn werk. We gaan het graf van mijn vrouw mooi maken, daar kom ik snel bij te liggen. Ach, dat zal nog wel even duren, zei ik. Die uitspraken hoorde ik wel vaker van achtergebleven echtgenoten. Nee, ik ben echt ziek, ik heb nog maar een paar maanden te leven volgens de dokter. En dat is maar goed ook, zei hij er achteraan. De volgende dag kwam er een slagroomgebakje. Alstublieft, zei de zoon die het mij overhandigde. Nog even, riep de vader vanuit de auto, dan lig ik hier ook, zo moet het zijn.

De week erop stopten ze weer. Morgen weer gebak? Dank u, maar dan ben ik vrij. Dan overmorgen, zei hij resoluut. Binnen twee maanden lig ik bij mijn vrouw. Ik keek naar zijn zoons, het was duidelijk, de hele familie was van dit vooruitzicht op de hoogte. Twee maanden geleden is mijn vrouw begraven, terwijl ik eerder zou gaan. De blikken van de zoons zeiden genoeg. Vader had gelijk. Volgende week weer, zei de vader, op een toon waar niets tegen in te brengen viel. Toch probeerde ik het, dat hoeft echt niet, ik moet aan mijn lijn denken. Dat dachten wij ook, die magere vent moet nodig wat aan zijn lijn gaan doen, zei de dikke man.

Dus kreeg ik weer gebak. Omdat ik er eigenlijk geen zin in had, gaf ik het aan een collega. Hoe was het gebak, vroeg de vader een paar dagen later. Ik had gehoord dat het lekker was en dat kon ik dus ook zeggen. U eet hem toch wel helemaal op, hè? Ik heb hem gedeeld, loog ik een beetje. Dan krijgt u volgende keer twee. Sindsdien kreeg ik elke week twee gebakjes. Als ik niet op mijn plek zat werd ik bij terugkomst door ze opgewacht. Tot zijn laatste dagen aanbraken.

Dinsdag is het zo ver, zei hij, euthanasie, ik heb zojuist de papieren getekend. Dat is nogal drastisch, zei ik. Ach, mijnheer ik ben terminaal en ik wil gewoon bij mijn vrouw zijn. Nu brak zijn anders zo stoere stem toch een beetje.

Ik stond in de zon bij de poort een stoet op te wachten, toen ze weer aan kwamen rijden. Vandaag geen gebak, het is te warm. We zijn naar de uitvaartondernemer geweest. Dan moet je geen gebak in de auto liggen laten. Maandag neem ik ze voor u mee. Maandag kwamen er twee bananensoezen. Morgen? vroeg ik. Nee, het wordt donderdag, nog niet alles is geregeld. Vrijdag word ik opgebaard, kunnen ze nog even kijken en dan maandag begraven. Hoe eerder, hoe beter. Dus ik zie u nog voor die tijd? Zeker, we moeten mijn graf nog in orde brengen, voor de begrafenis. Dat laatste gebak heb ik uit respect voor deze romanticus in diepe gedachten opgegeten.

Dinsdag stopte de auto weer. Ik wou maar even zeggen dat ik het ben, anders herkent u mij niet. Mijn pruik is in de was, ik moet er straks toch een beetje knap bij liggen. Komt u morgen nog langs? Ja, zeker. Woensdag zat ik, een beetje nerveus, te wachten. Gelukkig kwamen ze juist op een rustig moment aan rijden. Ik liep naar de auto. Hij deed het portier open, ik hurkte naast hem. Zo, dat weinige haar staat u veel beter, zei ik om de zenuwen te breken. Hij lachte, in je kist heb je toch de ruimte niet om je haren te kammen. Morgen is het zo ver? Ja, nog even en ik ben weer bij mijn vrouw. Ik moet zeggen dat ik veel respect heb voor uw kracht, ik bedoel dat u zo kalm blijft onder dit alles. Ik gaf hem een hand en wist niet precies wat te zeggen. Ik wil u best beterschap wensen maar daar schiet u niets mee op. Ik richtte me tot de zoons: jullie natuurlijk ook alle sterkte. Vader hield mijn hand nog vast. Bedankt dat u altijd zonder problemen die poort open deed en zo. Ach, dat is mijn werk, u bedankt, voor het gebak.

Paardenkont

Als er een uitvaart is van een bekend persoon is het logisch dat er ook onder de genodigden veel bekende mensen zijn. Zeker als de bekende Nederlander ook nog eens erg geliefd is, komt er veel publiek op de uitvaart af. Helaas komt er dan ook een deel van de pers waar ik het niet zo op heb. De paparazzo. Eén van die paparazzi had zich al eens, in mijn ogen, zeer irritant gedragen door recht voor een bekende vriendin van een bekende overledene te gaan staan, om met een telelens haar tranen te fotograferen.

Op een dag zou een van ouderdom gestorven bekende dame, die zeer geliefd was bij vele, dus ook bekende, Nederlanders worden begraven. De dienst was in een kerk en de stoet ging meteen door naar het graf. Om dit allemaal te regelen was er politie aanwezig, met wie we alles hadden doorgesproken. De beide voetgangerspoorten waren gesloten en er waren hekken geplaatst waar het publiek achter kon staan. Toen ik in de verte de kerkklokken hoorde luiden, die aangaven dat de dienst daar was afgelopen, kwam de schaamteloze paparazzo naar mij toe.

Wat is volgens jou de beste plek waar ik kan gaan staan met mijn camera? Ik wees hem op de plek achter de rechter looppoort, waar al een heleboel mensen stonden. Ik kan wel even het poortje voor je openen en dan kan jij je daar opstellen, iedereen moet daar langs lopen. Ik bracht hem er naar toe en vroeg het publiek om een beetje ruimte voor hem te maken. Als de stoet voorbij is doe ik de poort wel weer voor je open, zei ik terwijl ik het hek op slot deed. Hij pakte zijn camera’s uit zijn tas en ging klaar staan. Opgesloten tussen poort, dranghek en nieuwsgierige en treurende fans. Ik liep de poort uit om de stoet op te kunnen vangen bij de straatkant.

Voor de rouwwagen, nog voor de uitvaartleidster, liepen twee politiepaarden met serieus kijkende in gala-uniform gestoken agenten in het zadel. De paarden kwamen als eerste aan en namen plaats naast de hoofdingang, recht voor de pilaren. Zoals die ochtend met ze was besproken. Na de rouwwagen en de volgwagens kwamen de vele bekende Nederlanders door de poort lopen. Aan het oog van de paparazzo lens ontrokken door een brede bruine paardenrug. Paniekerig probeerde hij mijn aandacht te trekken, omdat hij niets kon zien, zelfs niet door zijn telelens. Ook de agent op het paard keek stoïcijns voor zich uit. Nadat de laatste populaire televisiepresentator door de poort was gekomen kon het paard zijn blaas, helaas, niet meer controleren. Ik sloot de hekken zodat de begrafenis zonder ongenode gasten kon worden uitgevoerd. De paparazzo heeft mij nooit meer om advies gevraagd.

Huilvrouwen

De Nieuwe Ooster is een echte Nederlandse begraafplaats, dus ook de Afrikaanse Nederlanders komen er hun overledene brengen. Ghanezen en Nigerianen maken daarbij nog wel eens gebruik van een bij ons uitgestorven beroep, huilvrouwen.

Tijdens de uitvaart van een veel te jong gestorven Ghanees maakte ik het voor het eerst kennis met huilvrouwen. Het terrein vulde zich met een groep van ongeveer 250 tot 300 mannen en vrouwen. Iedereen had wel iets aan dat gemaakt was van de zelfde schitterende gekleurde stof, met veel geel, rood en groen. Er waren dames die zich van top tot teen bedekt hadden met grote lappen, terwijl de heren er een kaftan of overhemd van droegen.

Ik stond deze kleurige groep juist te bewonderen toen ik werd opgeschrikt door een tergend gehuil, het moeten minstens vier vrouwen geweest zijn die een intens verdriet ten gehore brachten. Meestal doe ik mijn werk zonder enige emotie, maar deze keer stond ik met een brok in mijn keel te vechten om de tranen tegen te houden. Het was alsof iemand een huilpil in mijn koffie had gedaan. Ik begreep helemaal niet waarom ik, zo plotseling, zo verdrietig werd. Zo stond ik nog te genieten van de vrolijke gekleurde gewaden en even later was ik kapot van verdriet. Zo sterk was het effect dat het huilen van de huilvrouwen op mij had.

Ik wenste niet alleen te zijn in mijn verdriet en probeerde te ontdekken waar die intens verdrietige vrouwen zich bevonden. Eén zag ik, links van het hek, helemaal alleen staan huilen. Vreemd genoeg deed ze dit met droge ogen maar met een gejammer dat zo overtuigend klonk, dat ik zeker wist dat ze wel heel erg veel van de overledene had gehouden. Het gebrek aan tranen dacht ik toe aan het grote, al dagen durende, verdriet en het daaruit voortvloeiende tranen met tuiten huilen. Triest genoeg had niemand onder al die mensen enige troost voor haar. Haar meelijwekkende geschrei zorgde er bijna voor dat ik mijn gevecht tegen mijn tranen moest opgeven. Wat gezien mijn functie een aanfluiting zou zijn geweest. Ik probeerde oogcontact te krijgen, om haar een blik van steun te kunnen bieden in het grote verdriet. Op het moment dat de massa belangstellenden zich in beweging zette en richting de aula vertrok, zag ze ook mij staan bij de portiersloge. Al jammerend maakte ze zich los van het muurtje naast de poort waar ze steun had gezocht en sloot achter de andere nabestaanden aan.

Terwijl ze langs mij liep, keek ze mijn kant op. Met een enorme glimlach. Mooie, grote witte tanden schitterden mij tegemoet. Haar mondhoeken deden een wedstrijd, welke het verst op getrokken kon worden. De rechter won. Op dat moment keek ze mij recht in de ogen en gaf een vette knipoog. Ik werd verleid en bedonderd tegelijkertijd. Ondertussen was ze geen moment gestopt met het luid huilen. Voor mijn neus werd een stukje theater opgevoerd dat mijn hart heeft gestolen.

Meer gebak

De grote blauwe stationwagen herkende ik meteen als de wagen van de zoons van de man met het gebak. De auto stopte naast mij, het raampje aan de passagierskant ging open, twee grote bedroefde gezichten keken mij aan, op de achterbank lagen twee flinke dozen, gevuld met gebak. Moorkoppen en bananensoezen zag ik. Wij hebben gebak, bent u straks hier? Wat hebben we te vieren, vroeg ik. Het is zijn verjaardag en hij heeft gezegd dat wij u dan gebak moeten brengen.

Er kwam een rouwstoet binnen en ik deed mijn ontvangstplichten van begraafplaatsportier. Toen ik in de portiersloge mijn administratie zat bij te werken kwamen ze weer aanrijden. De twee broers stapten uit. De een had een gebaksdoos in zijn hand. Ze moesten flink buigen en door hun knieën zakken voor het kleine loketje. Ze waren nog groter en dikker dan hun vader was geweest. Ik keek recht in twee grote bedroefde gezichten die, om mij aan te kunnen kijken bijna met de wangen tegen elkaar aan zaten. Alstublieft, gebak. Er zaten nog twee moorkoppen in de doos, de andere hadden ze zelf al op gegeten en ik vermoede dat die tweede doos ook leeg was. Bedankt, hoe gaat het nu met jullie? We missen ze ontzettend, zei de oudste broer, met een snik. Bij de andere broer rolde een traan over zijn bebaarde wang. Bedankt voor alles, zei hij. De beide broers draaiden zich om en liepen naar hun auto. De grote brede ruggen gebogen. Toen ze de poort uit reden zwaaiden ze nog even voorzichtig. Ik zwaaide terug.

NRC Digitale editie _ NRC Handelsblad tijdschriften-1
Recensie in het NRC

Meer: